close
1881—1947

Ingeduffelde boer, 1915

olieverf
452 x 550 x 22 mm

Als Van de Woestijne na 1905 voorgoed gewonnen lijkt voor de schilderkunst, wordt hij de iconograaf bij uitstek van de boerenbevolking van Latem. Zelfs zijn vertrek uit het dorp veroorzaakt hier geen breuk. Integendeel, de geestelijke en artistieke vorming aan de Leie is zo ingrijpend dat zijn werk ook in het vervolg de herinnering aan de landelijke pastorale levend zal houden. Zo lijkt Van de Woestijne omstreeks 1910 alle krachten uit de Latemse jaren te mobiliseren in een imponerende reeks boerenfiguren (boer Kerckhove 1910, ingeduffelde boer 1915).

De figuren die Van de Woestijne schildert, suggereren een gemoedsstemming die overwegend zinspeelt op het innerlijk wezen van de kunstenaar. Zelfs de portretten openbaren in hun psychische uitbeelding gewoonlijk méér de gezindheid van de maker dan het karakter van de afgebeelde. Als symbolistisch schilder probeert Van de Woestijne daarom een type mens te verbeelden dat naar binnen gekeerd is en zijn kracht in zichzelf zoekt. In de stugge, ontoegankelijke aard van deze plattelanders vindt hij veel terug van zijn eigen gesloten, afstandelijke natuur. Zo wordt in een houding van verinnerlijking conform het symbolistisch vertrekpunt het dieper inzicht verworven.

De meeste koppen van Gustave van de Woestijne zijn afgebeeld tegen de sober gehouden achtergrond van erf of akker, teneinde de verbondenheid met de grond uit te drukken. Ondanks de optische verwijzing naar het milieu staan de personages geheel los op het voorplan, in streng silhouet. Er is met andere woorden in plastische zin geen verglijdende verbinding tussen voor en achtergrond. Verschillende invloeden kruisen elkaar: zo wordt de herinnering vastgehouden aan de middeleeuwse Primitieven, aan de Prerafaëlieten, aan Maurice Denis, aan de Art Nouveau. Maar het meest van allen nog komt Bruegel in de gedachten bij het zien van bepaalde portretten. Dat geldt zeker voor de twee eerder genoemde koppen: boer Kerckhove en ingeduffelde boer.

P.B.