close

Mario Merz

1925—2003

Een centrale figuur binnen de door Germano Celant gelabelde Arte Povera-beweging is zonder twijfel Mario Merz. Centraal in zijn oeuvre staat de complexe, zelfs mystieke verhouding tussen de natuur en de mens en de manier waarop wij beslag trachten te leggen op onze omgeving door ruimtelijke ingrepen te doen zoals het bouwen van een kerktoren middenin het landschap. Elke vorm en elk volume ontstaan voor Merz vanuit een stroom aan energie die zich nog het best via het tekenen laat vertalen, rechtstreeks vanuit de vingers via een stuk krijt op een steen of met potlood en penseel op papier. Merz combineerde ruwe, natuurlijke materialen met industriële elementen als neonlicht en glas waardoor een conceptuele en tegelijk ook fysische spanning gegenereerd wordt. Zijn ervaringen als antifascist tijdens de Tweede Wereldoorlog vormden zijn vitale activisme ook in zijn werk, zonder daarbij ooit de magie van de suggestie te verlaten. Naast zijn interesse in architectuur en kunstgeschiedenis was Merz gefascineerd door de culturele wortels die sinds de prehistorie tot op vandaag eenzelfde voedingsbodem bieden aan de grote menselijke vraagstukken. Niet enkel de beelden die de mens creëert, ook zijn taal is doordrongen van een onstuitbare, universele drift die alles met elkaar verbindt.

In 1969 nam Merz deel aan Harald Szeemanns When Atittudes Become Form. In datzelfde jaar was zijn werk ook te zien in Op losse schroeven, georganiseerd door Wim Beeren in het Stedelijk Museum in Amsterdam. In Bern creëerde hij een iglo die volledig was opgebouwd uit vrijstaande stukken glas. Vanaf eind jaren ’60 ontwikkelde Merz deze fameuze iglo’s die symbool staan voor de beschermende en nomadische hut van de kunstenaar die er in alle rust en intimiteit kan werken en schuilen. De iglo’s zouden, net als de tafel bijvoorbeeld, een vaak terugkerend symbool blijven in zijn oeuvre. Ook woorden, korte zinnen en getallen – de reeks van Fibonacci – paste hij vaak toe als betekenis genererende motieven.