close
1866—1941

De grote reliekdrager, 1929

brons
950 x 300 x 480 mm

Na 1895 begint Minne aan de reeks spichtige, tengere knapen die hun kwetsbaarheid en timiditeit onverhuld demonstreren: de geknielden. Gaandeweg put de kunstenaar in de geest van ascese de vormen steeds verder uit. Aan het eind van dit proces zijn de figuren omgeven door gevoelens van indolentie die ieder weerspannig gebaar dempen. De persoonlijke lading van Minne’s beelden is heel manifest: wie immers naar de innerlijke stem van deze man luistert, verneemt klanken die niets gemeen hebben met verzet en opstandigheid. De geknielden wekken de indruk alsof een gewicht op hen drukt, een onbestemde last die de opwaartse vlucht breekt en de figuren verhindert zich vrij in de ruimte te ontplooien. Karakteristiek is hier het voorbeeld van De grote reliekdrager: vol geconcentreerde aandacht torst de knaap een blok op zijn linkerschouder. Het modelé is enigermate geschematiseerd: elke beweging van lijn en vlak lijkt mee te gaan in het ritme van het heffen. Het hoofd is deemoedig gebogen, het jonge leven komt tot inkeer onder het gewicht van het lot. Waarschijnlijk gaat de voorstelling terug op een soortgelijk werk van Auguste Rodin. Toch blijft Minne naast de gewelddadige Rodin imponerend zacht. Het beeld van de Vlaamse meester is bovendien met een andere inhoud gevuld. In algemene zin symboliseert het blok (de reliek) de menselijke lotsbestemming die geheel door het verleden wordt bepaald, de aardse sterveling tot last is en deze tot een leven in lijdzaamheid veroordeelt. Bovendien is alle individualiteit afgelegd en resteren slechts het wezenlijke en het universele. Het resultaat is een broos, teder, tegelijk wereldvreemd wezen dat de angst schijnbaar als een tweede natuur heeft ingehuurd. Aldus krijgt het pessimisme van de aflopende eeuw in de geknielde jongeling de volle weerklank. Het werk is een herneming van De kleine reliekdrager. Het lichaam is minder uitgemergeld dan de eerste versie.

P.B.