close
1883—1966

Aardappeloogst, 1928

olieverf
795 x 925 x 22 mm

Naast het godsdienstig werk eist in de twintiger jaren het tekenen en schilderen van landschappen en figuren Servaes’s aandacht. Vooral in de houtskoolportretten van oude boeren toont hij zijn gerijpt meesterschap. Waar eerder de overdaad enige scepsis wekte en kracht met brutaliteit werd verward, is Servaes ditmaal bij machte de expressie te beteugelen en te verinnerlijken. De natuurgezichten die Servaes tussen 1920 en 1930 in Latem schilderde, komen beurtelings wel en niet binnen de termen van het expressionisme. Met hart en ziel opgaand in de natuur viert de schilder zijn zinnelijke levensdrift uit. Misschien heeft het mystiek-religieus werk z’n heftig temperament enigszins benauwd en zoekt zijn gezonde geest compensatie en uitweg in het geweld van brutale natuurschilderingen. Soms neemt de menselijke figuur nog deel aan het kosmisch visioen: maaiende boeren buigen ritmisch mee met het goudkleurige koren en de golvende lijnen van het land. Vaker blijft de figuur echter achterwege. Het accent ligt op het hevige en tragische, op de oerkrachten en op de grootse eenzaamheid van de schepping. De vormen worden bruusk, de compositie brutaal en elementair. In Aardappeloogst (1928) staat de verbondenheid van de mens met de natuur centraal, maar ook de onderworpenheid van de aardse schepsels aan de gang van de natuur is met veel kracht uitgedrukt. Boven het duistere tafereel staat – bijna sacraal – de levenbrengende zon in een nevelige hemelzee. Niet altijd kan in de landschappen Servaes’ beeldend vermogen gelijke tred houden met zijn persoonlijke gedrevenheid en zijn ambitieuze bedoelingen. Het gevolg van zo’n onevenwichtigheid is dat de bezieling zo nu en dan lijkt te ontaarden in dweepzucht. Waar de expressionist niet wordt gedicteerd door authentieke bedoelingen, verflauwt het ‘expressionisme’ tot pose.

P.B.

© SABAM, 2021